in Z!

Jerry Winkler woont weer: jarenlang dakloos, maar nu niet meer.

Jerry Winkler was jarenlang dakloos, tot hij erachter kwam wie zijn biologische vader was: een overleden multimiljonair. Nu woont hij weer in een huis. ‘De eerste tijd hield ik altijd binnen mijn jas aan. Klaar om weer weg te gaan.’

Tekst: Brechtje Keulen
Fotografie: Piet Hermans

Jerry Winkler 1 - Brechtje Keulen

 

Johan Cruyff is dood. ‘Een legende, een icoon. En een rasechte Amsterdammer. Dat ben ik zelf ook.’ Jerry Winkler heeft eerder deze week het condoleanceregister voor Cruyff getekend in de Amsterdam Arena en zit nu in het kantoor van zijn jeugdvriend Johan, die vernoemd is naar de legende. Aan de muur hangen Ajax-shirtjes, nummer 14. Jerry heeft deze plek speciaal voor het interview met Z! uitgekozen. Hij stond als klein kind al met zijn buurjongen Johan op het voetbalveldje, en hij mocht in alle periodes van zijn leven bij Johans cateringbedrijf Absolute Delicious blijven werken.

Johan is, net als voetbal, dus een stabiele factor in Jerrys leven, dat verder nogal wat turbulentie heeft gekend. Na een lange periode van dakloosheid, waarin Jerry zijn biologische vader vond die ook nog eens schatrijk bleek te zijn geweest, heeft hij zijn leven nu weer op de rit. Al kost dat soms best moeite. ‘Af en toe is het lastig voor mij om continu op een plek te zijn. Dan ga ik naar de sportschool of ik schreeuw het eruit. Dat werkt.’

 

In wat voor straat ben je opgegroeid?

‘Mijn eerste jaar volgens mij – als dat niet ook gelogen is – in de Kinkerbuurt. Daarna zijn we naar Diemen-Zuid verhuisd, een kleine gemeente die tegen De Meer aan ligt. Zo omschrijf ik het altijd. Het was de mooiste jeugd die je je kunt voorstellen: we waren dag en nacht met een voetbal op straat. Mensen zaten buiten in de zomer, je mocht bij iedereen even naar het toilet of een broodje mee-eten als je wilde. Het was echt een buurt, een familie bijna. Voor kinderen was het super.’

 

Hoe lang heb je daar gewoond?

‘Tot mijn achtste. Toen kreeg mijn moeder een hersentumor en toen moest ik bij mijn vader en stiefmoeder gaan wonen, aan de andere kant van de brug. Alles draaide honderdtachtig graden. We zaten in een flatje, voor ons was een autoweg en verder hadden we de Weespertrekvaart. Ik kon geen kant op. Bij mijn moeder had ik onder mijn bed allemaal speelgoed en Donald Duckjes, maar hier alleen een pak tekenpapier en een paar potloden, in het kastje naast de televisie. Ik had ook geen eigen slaapkamer. ’s Avonds moest ik eerst in hun bed slapen, en als zij gingen slapen werd ik naar de bank gedragen.’

Jerry Winkler 2 - Brechtje Keulen
Het is het begin van een lastige tijd voor Jerry. ‘Van de vijf jaar dat ik er gewoond heb, heb ik misschien drie weken plezier gehad’, vertelt hij. ‘Ik kreeg straf voor alles: als mijn kleren niet netjes in de kast lagen of als ik de plant niet goed op tafel had gezet. Als we dan ’s avonds tv gingen kijken, zetten ze het kastdeurtje precies zo open dat ik niks kon zien. Psychologische spelletjes. Het werd steeds erger. Zij vonden mij, op z’n Amsterdams gezegd, een teringjoch. Mijn stiefmoeder zei dat ze een maagzweer had gekregen door mij.’ Toen Jerry op een gegeven moment op school dingen uithaalde om te mogen nablijven – dan hoefde hij niet naar huis – waarschuwde zijn school Jeugdzorg. Jerry kreeg een voogd en werd uit huis geplaatst. In een paar jaar tijd verhuisde hij naar eigen zeggen 34 keer, naar allerlei internaten en pleeggezinnen. Toen hij het tijd vond om op zichzelf te gaan wonen, was er geen goede begeleiding.

‘Ik kreeg klap op klap op klap. Je weet niet hoe dat moet, op jezelf wonen, maar je wil toch een keer je eigen dingetje hebben. Ik ging keihard op mijn bek. De ouders van een vriend hebben me aan een woninkje geholpen, maar het ging allemaal mis. Mijn moeder overleed ook nog. Op een gegeven moment wist ik: ik ben gewoon alleen. Mijn broer was er wel, langs de zijlijn, maar ik stond er alleen voor.’

Jerry belandt op straat en raakt verslaafd aan drank en drugs. ‘Niet omdat ik het lekker vond maar omdat ik mijn hoofd leeg moest krijgen. Om te kunnen blijven werken. En uiteindelijk ook om warm te blijven als ik buiten moest slapen. Mensen die erbuiten staan, denken: die gozer is alleen maar aan het feesten en zuipen, vind je het gek dat ‘ie naar de klote gaat? Maar zo simpel is het niet.’

Tien jaar later slaat alles om. Het is 2010 als Jerry ontdekt dat de vader waarmee hij is opgegroeid, de man die hem altijd op het hart drukte dat je niet moet liegen in het leven, niet zijn biologische vader is. Een dna-test wijst uit dat hij de zoon is van Alfred Winkler, een multimiljonair die al in 1992 is overleden. Een sprookje, zo lijkt het: dakloze man vindt zijn steenrijke biologische vader.

Jerry Winkler 3 - Brechtje Keulen

Was het een sprookje?

‘Het was een nieuw boek van mijn leven. Daar hoorden ook worstelingen bij. Ik heb mijn vader gevonden, maar ik heb hem tegelijkertijd ook verloren. Ik kan nooit meer met hem gaan zitten om over zijn ervaringen met het leven te praten. Het is dus ook niet zo dat ik er van het ene op het andere moment bovenop ben gekomen. Ik vond het prima dat mijn verhaal overal in de media kwam, want dan was er aandacht voor de dak- en thuislozen. Maar je moet niet luisteren naar alle mooie verhalen, hoor.’

 

Moet je nog werken?

‘Tuurlijk! Ik heb een mooi bedrag gehad van de stichting waar de erfenis van mijn vader in zit. Ik heb het goed, ik kan op vakantie, ik kan boodschappen doen zonder op de prijzen te letten en ik hoef niet meer te doen
alsof ik geld uit een pinautomaat haal omdat er geen geld op mijn rekening staat. Zodra het met mij wat beter ging heb ik gezegd: er zijn een paar mensen die ik om mee heen wil hebben, en daar is Johan er een van. Ik mocht altijd bij hem blijven werken, ook toen ik dakloos was. We hebben veel lol gehad en ik had er wat afleiding door. Als jongetjes waren we al dag en nacht met elkaar aan het voetballen. Ik vond het mooi dat Peter Heerschop zei: op het veldje was altijd iemand Van Basten, maar nooit iemand Cruyff. Dat kon niet, die kon je niet evenaren. Meneer Cruyff zou zeggen: je kan het wel begrijpen, maar dan hoef je het nog niet per se te snappen.’

 

Heb je hem weleens ontmoet?

‘Drie keer. De tweede keer kwam ik met mijn chihuahua Lola in een speciale rugzak in het Olympisch Stadion en toen stond meneer Cruyff daar. Ik had al eens met hem gepraat, maar toen kon ik geen foto maken. Dus toen vroeg ik: mag ik dat nu doen? Dus we staan naast elkaar, iemand maakt die foto en ineens begint Lola te grommen. Meneer Cruyff stond echt zo van: wat is dat? Ik zeg: dat is mijn hond! En hij kijkt om zich heen en hij zegt: ik zie helemaal geen hond. Voor ik het wist had hij het ritsje al open en hoorde ik Lola uithalen: WRAUW! Hij vond het later wel een lief hondje. Dat zijn mooie herinneringen.’

 

Als Jerry zich aan de dakloosheid heeft ontworsteld, richt hij een stichting op om projecten voor dak- en thuislozen te ondersteunen en promoten. Hij denkt bijvoorbeeld een traject uit waarin jongeren zoals hijzelf was, die dakloos raken doordat ze bijvoorbeeld uit een internaat komen en moeite hebben om op eigen benen te staan, binnen een jaar een normale plaats in de maatschappij zouden moeten vinden. Eerst een dak boven hun hoofd, om fatsoenlijk voor zichzelf te kunnen zorgen en tot rust te komen. Daarna gaan ze de confrontatie aan met opgebouwde problemen en schulden, om dan de dingen die ze hebben meegemaakt te kunnen verwerken.

Want Jerry weet hoe moeilijk het is. Zodra je een woning hebt, weten schuldeisers je te vinden en heb je de keuze: betaal ik mijn schuldeisers, of betaal ik de huur? Allebei gaat vaak niet, en dan moet je ook nog aan je verslavingen werken. ‘Het is allemaal zo krom. Als je als dakloze een uitkering wil aanvragen, moet je opgeven waar je slaapt. “Derde boom links” zei ik, en ze kwamen het nog controleren ook. Ik dacht dat ik in Banana Split zat. Ik heb boetes gekregen voor buitenslapen. Een grote grove schande vind ik dat. Wat een vuile vieze wout ben je als je iemand die noodgedwongen op straat slaapt een boete gaat geven. Goddank kon ik mijn schulden afbetalen, daardoor ben ik eruit gekomen.’

Afgelopen januari besluit Jerry om niet door te gaan met de werkzaamheden van zijn stichting. Om aandacht te vragen voor dak- en thuislozen geeft hij alleen nog lezingen, de andere projecten liggen stil. ‘Ik ben zo gefrustreerd geraakt. Ik kan het gewoon niet meer. Ik woog nog maar 51 kilo, ik vrat mezelf langzaam op. Als ik die bobo’s op die gemeentestoelen zie zitten, denk ik: hier moet iemand zitten die weet hoe het in elkaar steekt! Ik kwam er niet tussen, kon niet tot het punt komen waar de oplossingen liggen. Die aanpak waarin je eerst onderdak verzorgt werkt, dat is bewezen! Er zijn zo veel argumenten voor. En toch blijft iedereen zijn eigen domme weg volgen. Als de gemeente hier echt serieus voor wil gaan zitten, dan doe ik dat natuurlijk, maar als het half werk blijft, werk ik er niet aan mee. Als je een goede spits hebt terwijl de rest van je team niks is, dan kom je d’r niet.’

 

Wat heb je zelf overgehouden aan die tien jaar op straat?

‘Ik blijf een jongen van de straat. Soms kom ik in de stad nog plekken tegen en dan denk ik: zou een goeie slaapplek zijn. Zo kijk ik naar de stad, dat krijg je er niet meer uit. Ik ben een overlever geworden. Mijn vrouw confronteerde me daarmee. Ze herinnerde me er steeds aan dat ik mijn jas en mijn schoenen thuis uit kon trekken. Ik was altijd klaar om weer weg te gaan. Als ik boodschappen ging doen kwam ik met een potje pindakaas en een halfje wit terug. Dat kon je zo in die pot dopen, dan had je geen mes nodig. Nog steeds ben ik dolgelukkig als ik de douche aan kan zetten. Of sigaretten kopen. Er zijn ook tijden geweest dat ik peukjes van straat opraapte, ze uit elkaar haalde en in een vloeitje stopte. Daar ben ik me van bewust en dat wil ik ook zo houden. Mijn vrouw helpt me daarbij. Sinds ik getrouwd ben, weet ik hoe belangrijk rugdekking is.’

 

Durf je vooruit te denken?

‘Ik denk veel over de toekomst na. Ik kan niet meer voor een baas werken, daar neem ik toch niks van aan, maar ik ben er ook nog niet aan toe iets voor mezelf te beginnen. Ik vind het fantastisch om lezingen te geven, en ik heb een diploma als fitnessinstructeur gehaald. Ik ben nog zoekende. Wat past nou echt bij mij? Ik moet het zelf uitzoeken. Aan mijn vader kan ik het in ieder geval niet meer vragen.’