in Straatnieuws Utrecht

De groep die niet bestaat

Toevlucht geeft ongedocumenteerden die nergens terecht kunnen onderdak voor de nacht. En misschien nog wel het belangrijkste: de groep wordt nu gezien. Dit artikel verscheen in Straatnieuws

toevlucht
In de afgelopen paar minuten heeft Ahmad een plastic roerstokje in kleine stukjes gebroken. Een beker thee staat nog op tafel, onaangeroerd. Hij legt de witte splinters er op een hoopje naast en schudt zijn hoofd. ‘Ik heb grote plannen,’ zegt hij, en hij schiet met zijn vinger een stukje plastic weg. ‘Ik heb grote plannen, maar ik kan helemaal niks. Ik mag het misschien niet zeggen, maar ik ben eigenlijk een beetje ontevreden.’

Ahmad slaapt sinds twee weken bij Toevlucht, in een gebouw dat Prinsenhof heet. Wie wil weten waar het is, kan het vinden, maar daar wordt zo min mogelijk ruchtbaarheid aan gegeven. In de Prinsenhof ligt een matras voor hem klaar, hier zit iemand die een potje tegen hem wil schaken, en hier kan hij ’s ochtends ontbijten. Als hij ’s avonds het gebouw binnen komt lopen, glimlacht hij, maar als hij zijn verhaal vertelt verdwijnt die lach langzaam van zijn gezicht. ‘Mijn advocaat heeft zijn bezwaarschrift een dag te laat ingediend,’ zegt hij. ‘Toen mocht ik niet meer in het AZC blijven en werd ik op straat gezet. Ik stond buiten, ik kon nergens heen, en daarom ben ik hier.’

Ahmad komt uit Iran. 2,5 jaar geleden kwam hij naar Nederland omdat hij als politiek activist in zijn eigen land niet veilig was. Terwijl zijn handen aan de plastic beker thee draaien, vertelt hij hoe hij in Iran in de gevangenis werd gezet omdat hij zich verzette tegen de overheid.  ‘Onder het bewind van Rohani, de nieuwe president, zijn al driehonderd mensen geëxecuteerd,’ vertelt hij. ‘Veel mensen die in de gevangenis zitten, krijgen hun medicijnen niet en gaan daar langzaam dood. Ik kan het niet aanzien. Ik heb zo veel redenen om daar tegen op te staan. Daarom ben ik activist.’

In Nederland kwam Ahmad in een AZC terecht en kon hij studeren. Hij deed staatsexamen en had zich aangemeld voor een masteropleiding in Eindhoven. Maar die droom staat voorlopig op pauze. Ahmad heeft wel wat anders aan zijn hoofd. Als Toevlucht er niet was geweest, had hij vannacht buiten moeten slapen.

 

Toevlucht is een initiatief van verschillende kerken in Utrecht, die samen besloten dat ze niet langer konden toekijken hoe een groep ongedocumenteerde daklozen niet meer in aanmerking komt voor de reguliere Utrechtse daklozenopvang. Sinds een aantal jaar geleden het principe van “regiobinding” werd ingevoerd, mag de opvang alleen nog mensen toelaten die een duidelijk band met de stad hebben. Die band kun je bijvoorbeeld aantonen als je een paar jaar ingeschreven hebt gestaan bij de gemeente of als je in de regio gewerkt hebt. De maatregel is ingevoerd om te zorgen dat niet alle daklozen aankloppen bij de opvang in grote steden, maar heeft als bijeffect dat ongedocumenteerden nu nergens meer terecht kunnen. Zonder legitimatiebewijs en andere documenten wordt het wel heel lastig om je band met de stad aan te tonen. Zeker als je nooit ingeschreven hebt gestaan.

‘De gemeente dacht dat deze groep niet bestond,’ vertelt Ageeth Weelink, coördinator bij Toevlucht. ‘Twee jaar geleden hebben verschillende organisaties dit probleem voor het eerst bij de gemeente aangekaart, maar pas in december 2013 heeft Toevlucht een pand gevonden en hebben we de nachtopvang kunnen organiseren. De gemeente gedoogt ons. Maar het is noodopvang en we doen het “onder protest”: we bieden alleen de meest basale voorzieningen en we doen dat omdat deze mensen anders op straat staan. We willen vooral laten zien dat deze groep, die zich logischerwijs onder de radar beweegt, wél bestaat. En we vinden dat de organisatie van opvang voor deze groep van dertig tot zestig mensen niet volledig op vrijwilligers aan zou moeten komen.’

Eerder dit jaar oordeelde de Europese Raad dat ongedocumenteerden recht hebben op bed, bad en brood, en dat de Nederlandse Staat daarin zou moeten voorzien. In lijn met die uitspraak hebben de kerken in Utrecht het initiatief voor Toevlucht genomen. Maar de vrijwilligers die zich om daklozen en ongedocumenteerden bekommeren komen niet alleen via de kerk maar vanuit allerlei hoeken bij de organisatie terecht. ‘Het moet een breed gedragen protest zijn,’ zegt Ageeth. ‘We willen graag dat het niet alleen aan de kerken hangt, maar dat verschillende groepen mensen hun sympathie betuigen. Het moet net zo gaan als bij de Vluchtkerken in Amsterdam en Den Haag: daar zijn nu ook allerlei organisaties bij het protest betrokken geraakt.’

In de loop van de avond stroomt Toevlucht langzaam vol. In de zaal liggen dertig matrassen, waarvan er meestal ongeveer vijfentwintig bezet worden. De bovenverdieping van de Prinsenhof is een oud kantoor van de Protestantse Kerk Nederland, dat duidelijk niet is uitgerust voor bewoning. Vrijwilligers organiseren alles zo goed als het gaat – naast iedere matras staat een stoel met daarop lakens, een handdoek en een stukje zeep, ontbijt wordt verzorgd – maar het gebouw ruikt muf, heeft twee toiletten maar geen douches en is niet volledig brandveilig verklaard. Daarom moet er altijd iemand van de organisatie wakker zijn om de wacht te houden. Nachtwaker Maarten vertelt dat er iedere nacht drie vrijwilligers aanwezig zijn, die ieder 2,5 uur waken. Hij opent een schuifdeur waar een bordje “garderobe” op staat. Daarachter liggen een paar matrassen waar de vrijwilligers gedurende de rest van de nacht op proberen te slapen. ‘Maar meestal slaap je niet zo goed,’ zegt hij. ‘Als hier dertig mannen liggen, wordt er behoorlijk gesnurkt.’

Als de mannen – voor vrouwen, kinderen en zieken is er wel officiële opvang – ’s avonds binnenkomen, duiken sommigen direct onder de kleurige dekens. Anderen blijven nog even zitten, drinken een kopje koffie of thee en spelen een spelletje in de hal. Een scorevel van de Mikado-competitie hangt prominent op de deur naar de slaapzaal. Een enkeling eet snel nog een boterham. Een deel van de mannen komt hier al sinds december iedere dag, en krijgt zo iets van structuur en regelmaat mee.

 

Op één van de stoelen in de slaapzaal zit Namir. Met voorzichtige bewegingen maakt hij zijn schoenveters los, trekt zijn schoenen uit en stroopt dan de sokken van zijn voeten. Aan zijn rechtervoet heeft hij zes tenen. Over zijn linkervoet loopt een groot litteken: daar is de zesde teen kort geleden weggehaald. Hij heeft speciale schoenen gekregen, maar lopen doet – vier maanden na de operatie – nog pijn. En lopen is wat de twintigjarige Afghaan de hele dag doet. Zodra hij ’s ochtends wakker is, loopt hij naar het centrum. Soms gaat hij naar het station om even op een bankje te zitten, maar meestal wordt hij daar snel weggestuurd. ‘Het is moeilijk,’ zegt hij. ‘Ik weet niet waar ik naartoe kan. Ik kan niet naar een café, want ik kan geen koffie betalen. Als het koud is, kan ik nergens gaan zitten en de politie jaagt me overal weg.’ Hij hoest, zoals iedereen in de slaapzaal. Als hij praat trekt er soms een trilling door zijn ogen. ‘Ik ben moe, maar ik kan niet slapen.’ Hij pakt zijn schoenen op en sjokt naar zijn matras.

Als ’s ochtends om zeven uur de wekker gaat, is er brood voor de mannen. Om kwart voor acht moet iedereen weer weg zijn. Omdat Toevlucht echt bedoeld is als noodopvang, kan het geen dagprogramma bieden maar alleen een slaapplek, en dan ook nog alleen gedurende de wintermaanden. Na 18 mei – IJsheiligen – houdt de organisatie ermee op. De hoop is dat de gemeente dan in actie komt, desnoods samen met de vrijwilligers, om ervoor te zorgen dat niemand op straat hoeft te slapen, ook niet in de zomer. Dat de regiobinding in de daklozenopvang is ingevoerd, snappen veel vrijwilligers wel. Maar dat er geen aandacht is voor de mensen zonder papieren die daardoor in de problemen komen, vinden ze onbegrijpelijk. Bovendien, zegt vrijwilliger Wilma: ‘Er zijn nog meer basisbehoeften dan eten en een slaapplek.’

De bezoekers maken gretig gebruik van Toevlucht, maar zeggen allemaal, net als Ahmad, dat ze ‘een beetje ontevreden’ zijn. Ja, ze hebben hier een bed en ontbijt, en ze kunnen zich bij de wastafel wassen, maar dat geeft hen nog geen normaal leven. ‘Niemand luistert,’ klaagt Namir. ‘Niemand kan helpen.’ Een oudere man uit Kazachstan moppert dat hij nu een bed heeft maar geen leefgeld. Ahmad zelf vertelt hoe hij machteloos toe moest kijken toen een medewerker van de IND grapjes over hem maakte bij de rechtbank. ‘Hij zei: “Misschien geef ik je volgende keer wel een verblijfsvergunning.” Ze spelen met mijn leven, en ik kan er niks tegen doen. Als ik iets terug zeg, ben ik bang dat ik mijn kansen verspeel. Ik durf anderen ook niet om hulp te vragen. Ze kennen mijn problemen, maar bieden niet aan om te helpen. Dan wil ik het ook niet vragen. Ik vind het niet leuk, maar ik heb nu helemaal geen plek.’

 

*De namen van de geïnterviewden zijn om privacy-redenen gefingeerd